Historie

Het verhaal van "De Bosvogels" begint in het jaar 1927.  Even het rekensommetje makende (dit jaar, 2017 zijn we dus 90 jaar!), valt op dat onze scouts één van de eerste scoutsgroepen in België was. In het kader van "culture physique" of "lichaamscultuur" werd onze groep opgericht door onderpastoor Jozef Vleugels en zijn compagnon Fons De Vleeshouwer, als initiatief om de jeugd van de straten te houden.

De eerste locatie waarover we konden beschikken, was in geen geval te vergelijken met onze huidige groene omgeving.  Een zaaltje in de Bergstraat, links van de ingangspoort van de meisjesschool, onder toezicht van zuster Archangeline (Imelda Ruymen, 1890-1988), werd ons door de gemeente ter beschikking gesteld.

Onze scouts werden  een scoutsgroep, en geen turnkring, zoals in tal van andere Vlaamse gemeenten het geval was. Al snel werd hulp van buitenaf aangesproken, nl. familie van zuster Archangeline in Herentals, waar kort voordien een scoutsgroep werd opgericht op initiatief van de zoon van Baden Powell himself. Daar was sedert 23 april 1919 een groep gestart. In de prille jaren van onze eigen groep werden de eertse padvinders dan ook opgeleid door gezanten uit Herentals: leren knopen leggen, sporen volgen, in de buitenlucht slapen. Kortom, de essentiële vaardigheden van een echte scout. Nu en dan was er ook wel eens tijd om te spelen: voetbal, vissen, rugby, ...  En reeds toen was het speelterrein de Rimboe.

 Van een vliegende start gesproken! Op 29 september 1928 reeds  werd  het eerste aansluitingsbrevet  “BREVET d’ Affiliation”  in Brussel verkregen, waardoor de groep “recht had op al de voordeelen der Associatie in het algemeen en op deze welke de troepen onderling zich enigszins kunnen bieden”. Ook een heuse groepsvlag werd nog dat jaar aangekocht en gewijd in de kerk. Vlag en brevet zijn meteen de oudste documenten, die binnen de groep worden bewaard. Het verbond van de scouts heette toen B.P.B.B.&S.S. De “Baden Powell Belgian Boy- & Seascouts en de leuze was in het Belgisch:”Be Prepared”  (In het Nederlands: “Wees Paraat”). In 1928 ging ook het eerste kamp door. Al het hebben en houden werd op de stootkar van de plaatselijke schrijnwerker geladen en de mannen trokken naar het domein Montens in Massenhoven. Er werd een duif meegenomen om los te laten bij aankomst in Massenhoven, zodat Grobbendonk gerust kon zijn dat de reis goed verlopen was. De reis was vermoeiend en zwaar (hoe meer die eerste scouts dat verhaal vertelden, hoe zwaarder de reis werd!) en aan de watermolen van Viersel donderde een deel van de stootkar tegen de wereld. De duif ontsnapte … en Grobbendonk sliep op beide oren. De mannen waren goed aangekomen.

Vanaf het begin waren het gemeentezaaltje en de Rimboe the place to be voor de werking, maar in de loop van de jaren '30 reeds kwam er een eigen lokaal in ‘het fabriek' , de slijperij van de familie Schoofs, vooraan in de Leopoldstraat (toen nog Bergstraat). Het waren de jaren, dat Staf Schoofs (zoon van de eigenaar van ’t fabriek) groepsleider was van de Bosvogels. Staf had heel plots de leiding moeten overnemen, want de tweede groepsleider, August Smets was met de motor verongelukt. Het moet ook de tijd geweest zijn, dat de gewone man aan een fototoestel wist te geraken, waardoor er ontelbaar veel foto’s genomen werden die tijd. Het was ook de tijd, dat de grootsten – beladen met enorme smokkelzakken – per fiets op reis trokken naar Duitsland en naar Wallonië. De voortrekkers gingen per jaar wel enkele keren op kamp naar de Rimboe, maar hun groot kamp was lange jaren een fietstocht naar hetgeen toen nog “het verre Duitsland” heette. 

In de oorlogsjaren draaiden de scouts op een heel laag pitje, want “den Duits” verbood zowat alle verdachte verenigingen. Alleen serieuze cultuur mocht gebracht worden en daardoor kwam het dat de Bosvogels plots een “toneelkring” werden. De scoutsvergaderingen werden “repetities” en toen het toch eens al te bont dreigde te worden, werd een toneelopvoering door de dienstdoende burgemeester geschorst, omdat de bedoeling toch een beetje naar de scouts begon te ruiken. Ook aan leiding was er tijdens de oorlog nogal eens tekort, vermits heel wat leiders gemobiliseerd of weggevoerd werden. Een positief gevolg daarvan was, dat er voortaan leidsters mochten bijkomen voor de welpenleiding. Jos Heylen was de laatste welpenleider voor jaren en zijn lief Angèle Somers nam samen met Claire en Monique Micha, met Martha Bierinckx en Maria Prims  de welpengroep op zich. … de start van een lange periode van vrouwelijke welpenleiding. De Bosvogels waren echter stillekes levender dan ooit, zodat bij de terugkeer van de leiders uit gevangenschap en oorlog telkens serieus kon gevierd worden, soms met motieven, die in dit overzicht niet thuis horen

Na de oorlog trad een sterke groep naar voor en ondertussen was de stichter-aalmoezenier Vleugels terug in het weeshuis aan het Hofeind komen wonen. Aan dat rust- en weeshuis was een pachthoeve verbonden in Eisterlee, waar de pachtende boer (Vaes) “op zijn eigen” begonnen was. De hoeve kwam later  leeg te staan  en de mannen kregen het gefikst, dat DE BOSVOGELSHOEVE voor de scouts was. Er werden certificaten voor een renteloze lening uitgeschreven en bij stukken en beetjes werd de stal omgebouwd tot welpenlokaal en de zolder werd ingedeeld in patrouillehoeken. De rest was speelterrein voor groot en klein. De circustoeren, kattensprongen en vechtpartijen die daar gevoerd werden, durfden de mannen thuis niet vertellen, maar iedere keer, wanneer ze later nog eens bijeen kwamen, werden de verhalen straffer en straffer, de blutsen en blauwe ogen groter en de wonden gapender. Wie de meeste wonden te verzorgen kreeg, was Bertha Cambré, die met hare Juul een bescheiden woning betrok in de Hoef. Een kleine (geheime) bar behoorde tot het meubilair van de leiding.

In 1952 was het de beurt aan Jos Janssens, om het groepsleiderschap op zich te nemen. Grobbendonk was nog minder makkelijk te arrangeren en er groeide de noodzaak, om het Godshuis uit te breiden en te moderniseren. Vleugels kon de politiek niet tegen houden en de BOSVOGELSHOEVE moest verkocht worden. Twee keer schande, want de scouts hadden geen lokaal meer en de Hoef werd … een café zonder de naam ook maar te veranderen. De welpen mochten gaan vergaderen in de zaal van het godshuis en de scouts stonden eventjes letterlijk op straat of … op de Rimboe. Ze hadden nog vergadering tijdens het schoolverlof en trokken op kamp met geleende leiding uit andere groepen en uit middelbare scholen. Er was echter  vooral een welpentak van 50 man, die zowat de helft van de groep vormde.

In 1954 werd de eerste steen gelegd voor een eerste nieuw lokaal, dat Jos Janssens en Rik Van Hauwe (met nog enkele trouwe kornuiten) bijeen bedelden. Hout van Dingenen, stenen van Verhaert en hetgeen moest betaald worden kwam van een tombola, een kampvuurnummer en een film van den Dikke en den Dunne (opbrengst 4.332 frank). In september 1956 had het lokaal al 24.868 frank gekost en er was nog maar 17.243 frank van betaald. Kosten aan werkuren: 0,00 frank. De beste truuk om aan geld te geraken was: feesten geven. Eerste steen van het lokaal, inhuldiging van het lokaal, inzegening van het lokaal, het was allemaal even proper. Het ledenaantal groeide sterk. Zelfs de woelige jaren ’60 wisten de Bosvogels door te spartelen met klassieke scoutstechieken, waar andere groepen met moderne snufjes konden uitpakken. Het was de tijd van steeds maar bouwen en bijbouwen op de Rimboe om steeds meer takken te kunnen huisvesten. Het zou tot 1970 duren, eer het eerste scoutsbal in Grobbendonk mocht georganiseerd worden. Bals en papierslagen, leuren met kerststukjes, WC-papier, wafels, pannenkoeken … ’t was allemaal goed, om de werking betaald te krijgen.

Vrouwen, laat u niet misleiden: deze vereniging was oorspronkelijk uiteraard enkel bedoeld voor jongens.  Begin de jaren ’60 was er wel een Chirogroep voor de meisjes opgericht en … daar is nooit echt oorlog geweest tussen de twee … Soms werd er zelfs écht samenwerkt. In 1981 moesten de Chiromeisjes van Grobbendonk stoppen. Er waren nog veel leden, maar de leidingsploeg hield het voor bekeken. Alle boekjes en vlaggen werden geschonkel aan de Chiro van Bouwel, de meubels waren voor de Bosvogels en die begonnen met een gemengde groep  JIN en Kapoenen, daartussenin werden de takken ontdubbeld voor jongens en voor meisjees. En de kas … die bleef voor de oud-leiding. Vele jaren later kreeg “den Bo” daardoor een ferm steuntje in de rug bij de bouw van het nieuw lokaal op de Rimboe.

Ondertussen, zo'n 90 jaar later, zijn wij al tal van jaren geïnstalleerd in de bossen van de Rimboe. Stevige lokalen, een groot speelterrein en vooral alle bossen rondom onze lokalen vormen de perfecte locatie voor onze jeugdwerking die dezer dagen uitgegroeid is tot een vereniging getrokken door meer dan 30 man leiding. Elk weekend opnieuw bieden wij meer dan 250 schoolkinderen, van 6 tot 19 jaar, de ideale uitlaatklep na een weekje achter de schoolbanken. De laatste jaren niet meer V.V.K.S.M. (Vlaamse Vereniging voor Katholieke Scouts en Meisjesgidsen), maar wel Scouts en Gidsen Vlaanderen, nog steeds met respect voor de oorspronkelijke waarden en doelstellingen van scouting, uiteraard aangepast aan hedendaagse maatschappelijke opvattingen.